Twee handen op één buik

0
946

Een zwangere vrouw – 16 weken zwanger – wordt bij het Medisch Maatschappelijk Werk (MMW) van de Unit Psychosociale Zorg aangemeld. Zij is angstig, onrustig en vooral onzeker over de toekomst. Het is haar derde zwangerschap. De vorige twee zijn in vroeggeboorten geëindigd, zo rond de 20e week: een zeer pijnlijke ervaring. In de verwijzing staan de eerdere vroeggeboorten vermeld en de impact daarvan op de huidige zwangerschap. Zij is bang dat zij opnieuw een vroeggeboorte zal krijgen. Dat beheerst haar hele denken en verlamt haar. Zij en haar partner durven nog geen plannen te maken om de babykamer in te richten, babyspullen te kopen, een naam te bedenken, om over het komende ouderschap na te denken noch het daar samen over te hebben. Zij is blij met de zwangerschap; de rest staat op de handrem.

Ik zoek contact met mevrouw en we spreken af dat zij, samen met haar man voor een intakegesprek naar het Erasmus MC-Sophia zullen komen. Op de afgesproken datum lopen we naar mijn spreekkamer. Zij zijn beiden gespannen en doen allebei hun verhaal. Eerst de aanstaande moeder, in al haar kwetsbaarheid als zwangere vrouw. Daarna haar partner, die als een soort zelfbescherming -en daar is op zich niets mis mee- de zwangerschap van zijn vrouw zo ver mogelijk de toekomst in schuift. Ieder heeft z’n eigen beleving en toch is daar een gezamenlijke reis: het verlangen naar hun kindje en hun liefde voor de komende baby.

Maar de pijn van het verlies van de vorige twee zwangerschappen staat nog zo allesbepalend op de voorgrond en geeft geen ruimte voor een nieuwe ontmoeting. Ik ga dat in het gesprek verder verkennen. Ik zie dat zij met haar armen langs haar lichaam op de stoel zit en vraag haar om haar hand op haar buik te leggen. Zij vraagt “Waarom vraag je dat?”. Ik geef een toelichting en leg een verband tussen de afhoudende, zelfbeschermende houding en haar lichaamstaal. Ik merk op dat “zij –logischerwijs- haar verdriet mag ervaren over de eerste twee zwangerschappen, die te vroeg geëindigd zijn”. Ik maak een verschil tussen de vorige situaties en de huidige zwangerschap. Ik noem dat ‘verdriet over de vroeggeboorten en het besef over de levende foetus in deze zwangerschap’. Beide mogen aan de orde komen.

Er ontstaat ruimte om hierover te denken en er komt besef om een gebaar naar het kindje te maken. Tijdens het gesprek legt zij aarzelend en voorzichtig haar handen op haar buik. Zij maakt een vorm van contact met het komende kindje. Zij staat stil bij wat zij voelt en beleeft. Er komt een zekere ontspanning op haar gezicht, een toenadering, een soort ‘gelukkig’ en blij zijn dat zij zichzelf dit gebaar kan toestaan. Er klinkt later schoorvoetend ook een soort “welkom” naar het kindje toe. Ik vraag haar dit gebaar de komende dagen te blijven doen.

In het volgende gesprek kom ik op deze benadering terug. “Is het gelukt om in de afgelopen weken je handen op je buik te leggen, als een soort ‘contact-zoeken’, aanraken, ‘welkom-heten’ van je kindje?” “Ik heb inderdaad een aantal keren m’n handen op m’n buik gelegd!” Haar gezicht spreekt boekdelen: uit haar gezichtstaal spreekt een gevoel van geluk. “Hoe heb je dat beleefd?” “Onwennig en prettig. Ik voelde de bewegingen en ik was aangenaam verrast!” “Ik vind het nog wel moeilijk, het is zo dichtbij, zo voelbaar. Maar ik heb het toch gedaan!”

In de volgende gesprekken komt dit onderwerp regelmatig terug. Zij merkt een groeiende behoefte en innerlijke ruimte om zo met deze zwangerschap om te gaan. Ondanks de aanwezige onzekerheid en moeilijke confrontaties met blijde, opgewekte vriendin-moeders met hun kind(eren) en al hun moederverhalen.

Na een paar counselingsgesprekken wordt mevrouw plotseling opgenomen. Ik schrik ervan, als ik dit hoor, ga bij haar op bezoek en zie een geschrokken, gespannen vrouw op bed liggen. De angst is in haar ogen te lezen “Het zal toch niet….” denk ik. En zij denkt dat ook. De onmacht is voelbaar aanwezig. Gelukkig helpt het verplicht rust nemen en zij kan zich daaraan overgeven.

Een paar weken blijft zij opgenomen en zij vindt haar draai op de afdeling en in de huiskamer, aan de knutseltafel, met creatieve knutselwerkjes. Uiteindelijk mag zij met proefverlof. Thuis heeft zij het prima naar haar zin en van tijd tot tijd komt zij voor controle op de zwangerenpoli. Af en toe bel ik haar en dan hoor ik van haar dat het goed gaat. “Gelukkig”, denk ik dan opgelucht.

Als ik in haar dossier lees dat er een datum is gepland om het kind te halen, bel ik haar. Zij voelt zich goed, is blij dat zij haar zwangerschapstermijn kan uitdienen zonder angst voor een vroeggeboorte en we kijken dan ook terug op de afgelopen maanden. “Wat heeft jou nou vooral door de angstige en onzekere periode heen geholpen?” “Dat is toch het moment geweest om m’n handen op m’n buik te leggen en om te denken aan deze levende foetus. Deze zwangerschap is onvergelijkbaar anders dan de vorige twee. Het heeft mij geholpen om daar onderscheid in te (mogen) maken. Dat gaf mij ruimte om m’n handen op m’n buik te leggen en om contact te zoeken met m’n kindje. M’n partner is dat ook meer en meer gaan doen. Daar zijn wij samen in gegroeid en daar ben ik blij mee. Dat was niet gemakkelijke niet vanzelfsprekend. Achteraf is dit een mooie ombuiging geweest: twee handen op één buik!

Bob de Raadt, medisch maatschappelijk werker, methodisch ouderbegeleider, contextueel hulpverlener. Erasmus MC-Sophia, afd. Verloskunde/Gynaecologie – Neonatologie.

Met toestemming van mevrouw en haar partner gepubliceerd.

 

------
Abonneer u op onze gratis digitale nieuwsbrief en u ontvangt wekelijks een overzicht van relevante ontwikkelingen rond vroeghulp- en -signalering

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here