Hersenreactie van baby’s loopt uiteen

0
475

De hersenreactie van baby’s van drie tot viereneenhalve maand verschilt. Het lijkt erop dat sommige baby’s al wat verder in hun cognitieve ontwikkeling zijn dan andere. Mogelijk komt dit door verschil in leermogelijkheden.

Dat blijkt uit promotieonderzoek van neurowetenschapper Lorijn Zaadnoordijk op het ontstaan van zelfbewustzijn bij baby’s, dat ze onderzocht bij het Baby & Child Research Center van de Radboud Universiteit. “Voor mijn promotie heb ik onderzocht wanneer baby’s doorkrijgen dat hun handelingen effect hebben, dus wanneer ze oorzaak-gevolg-relaties snappen’, vertelt Zaadnoordijk op voxweb.nl. ‘Agency heet dat – er bestaat geen goed Nederlands begrip voor. Een voorbeeld: baby’s van een paar maanden oud merken dat er een leuk geluidje komt, als ze schudden aan een rammelaar. Ik heb onder andere onderzocht wat er dan in hun hersenen gebeurt.”

Digitale rammelaar

Zaadnoordijk maakten daartoe een soort digitale rammelaar, waarvan zij zelf konden bepalen of er een geluidje kwam of niet. “Daar lieten we baby’s van drie tot viereneenhalve maand oud mee spelen. We redeneerden dat als baby’s snappen dat er een oorzakelijk verband is tussen hun beweging en het geluidje, ze extra veel met hun armen zouden gaan zwaaien op het moment dat het muziekje opeens niet meer kwam – uit een soort van frustratie. Tegelijkertijd keken we met EEG-elektrodes, die met een soort badmuts op hun hoofd zaten, naar hun hersenactiviteit.

Verbazingssignaal

De onderzoekster had verwacht dat het wegvallen van het geluid tot een groot ‘verbazingssignaal’ in hun brein zou leiden. “Maar het gekke was: de baby’s gingen helemaal niet meer bewegen en hun hersenen lieten ook geen verbazingssignaal zien. Tenminste, niet als we naar het gemiddelde van de hele groep keken. Toen we inzoomden op de individuele baby’s, zagen we wél een verband: sommige baby’s hadden de verwachte hersenreactie namelijk wel en zij bewogen ook juist meer. Wellicht zijn sommige baby’s al wat verder in hun cognitieve ontwikkeling dan andere. Qua leeftijd en motorische ontwikkeling waren ze namelijk niet verschillend.”

Verschil in leermogelijkheden

Hoe dat komt, weet Zaadnoordijk nog niet precies. “Mogelijk hebben deze baby’s meer leermogelijkheden gehad. Dat kunnen ook sociale situaties zijn – baby’s worden rond die leeftijd namelijk ook gevoelig voor sociaal gedrag. Ook de manier waarop ouders reageren op hun baby, bijvoorbeeld als ze huilen, kan een van de factoren zijn die bijdraagt aan hoe snel ze leren dat hun gedrag effect heeft.’ Omdat het heel lastig is om babyonderzoek te doen, is er niet veel wetenschappelijke literatuur op dit gebied. Het kostte anderhalf jaar voordat we voldoende baby’s – 65 in totaal – hadden onderzocht. Daarom ging een deel van mijn proefschrift ook over theoretische vragen.”

 Vervolgonderzoek

Inmiddels is Zaadnoordijk al met vervolgonderzoek bezig, in Ierland, dankzij een Europese Marie-Curiebeurs van bijna twee ton die ze eerder deze maand ontving. “De baby’s die ik in Ierland ga onderzoeken zijn nog jonger, twee maanden oud. Het gaat voor een deel om baby’s die na hun geboorte op de kinder-Intensive Care van het ziekenhuis terechtkomen met problemen zoals hersenschade. Dankzij de Marie-Curie-beurs kan ik hen nu meerdere jaren volgen. Ik wil onderzoeken of je op basis van hoe hersenverbindingen lopen, kunt voorspellen welke baby’s met hersenschade weinig en welke juist veel problemen krijgen tijdens hun ontwikkeling. Ik ga specifiek kijken naar breingebieden die te maken hebben met leergedrag. Als de onderlinge verbindingen tussen die hersendelen afwijkend zijn, leidt dat dan ook tot ander gedrag? En kunnen ouders vervolgens een rol spelen bij het sturen van de ontwikkeling?”

Afwachtend

Zaadnoordijk wijst erop dat artsen nu vooral een afwachtend beleid bij baby’s met hersenschade hanteren.  “Ik hoop dat we straks weten hoe je hun ontwikkeling actief kunt stimuleren. ‘Voor dit onderzoek moeten de kinderen een MRI-scanner in. Daarom ben ik ook naar Trinity College gegaan. Hier zit een goede onderzoeksgroep, die bovendien net een snelle scanner aangeschaft heeft. Baby’s houden het niet namelijk zo lang vol in de scanner, maximaal een minuut of twintig.’ ‘Ze vallen regelmatig in slaap omdat ze op hun rug liggen en met kussentjes ‘ingestopt’ worden of ze gaan huilen. Voor mijn onderzoek is belangrijk dat ze wakker blijven, omdat je dan de actieve breinverbindingen kunt meten. We laten ze naar filmpjes kijken, dat houdt hun aandacht vast.’ ‘In Ierland mogen baby’s al zo jong een MRI-scanner in voor wetenschappelijk onderzoek, in Nederland is dat niet toegestaan.’ Maar het is wel verantwoord want een MRI-apparaat gebruikt geen straling, dus is de scan niet gevaarlijk. Bovendien is er altijd een kinderarts aanwezig bij de scans, naast mijzelf en een van de ouders. Daarnaast monitoren we de baby op allerlei manieren: met een camera, microfoon, en hartslagmeter. Ik denk dat er weinig baby’s van twee maanden oud zijn die beter in de gaten gehouden worden.”

Bron: voxweb.nl

 

 

------
Abonneer u op onze gratis digitale nieuwsbrief en u ontvangt wekelijks een overzicht van relevante ontwikkelingen rond vroeghulp- en -signalering

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here