Effectief voorlezen aan meervoudig beperkte kinderen

0
1313

Voor ouders van kinderen met meervoudige beperkingen en ernstige taalontwikkelingsstoornissen is het lastig om een voorleesritueel op te bouwen. Een serie aangepaste, interactieve prentenboeken voor deze doelgroep biedt hen de helpende hand.

De prentenboekjes zijn ontwikkeld door Hans van Balkom, hoogleraar Ondersteunende communicatie voor mensen met meervoudige handicaps aan de Radboud Universiteit, en Judith Stoep van het Nijmeegse Expertisecentrum Nederlands. Deze aangepaste, interactieve prentenboeken kunnen helpen om de communicatie tussen ouders en hun kinderen met zeer ernstige taalontwikkelingsstoornissen en meervoudige beperkingen te versterken. Daarvoor worden prenten met begeleidende tekst, handpoppen, begeleidende video’s met gebarentaal, animaties van de prenten en woordkaartjes ingezet. Door deze aanpak kunnen ouders ondersteund voorlezen aan hun kinderen met ernstige beperkingen, iets dat met traditionele prentenboeken lastiger is.

Van ‘bed’ en ‘poep’ naar ‘die’ en ‘jij’

De kinderboeken hebben een uitgebreid onderzoeks- en ontwikkeltraject doorlopen voor ze dit voorjaar in de boekhandel verschenen. Prentenboeken hebben sowieso al een gewogen woordselectie voor het onderwerp en de leeftijdsgroep, maar voor kinderen met meervoudige beperkingen moest die selectie nog wat verder worden aangepast. “We hebben ons laten leiden door resultaten uit woordenschatonderzoek onder kinderen, om voor elke leeftijd van 2 tot 7 te zien welke woorden ze gebruiken en nodig hebben en welke woorden er thuis en op school frequent tegen ze gesproken worden.”

Van Balkom wijst er op dat bij de taalontwikkeling van de meeste kinderen functiewoorden zoals ‘die’ en ‘jij’ vaak snel een prominente rol krijgen. Die woorden zeggen op zichzelf echter niets zeggen voor kinderen met een beperking en worden daarom ook niet altijd als praktisch ervaren. Daardoor komen ze zelden voor op communicatieborden. “Het wordt als makkelijker gezien om vooral in te zetten op praktische, duidelijkere, betekenisdragende inhoudswoorden als ‘bed’ en ‘poep’. In onze prentenboeken combineren we veel functiewoorden in directe verwijzing naar inhoudswoorden. Kinderen met meervoudige beperkingen krijgen daardoor meer grip op het gebruik van de verwijzende kracht van functiewoorden”, legt Van Balkom uit.

Binnen de woordselectie voor de serie speciale prentenboeken is  gekeken naar onderwerpen die passen bij de interesses en belevingswereld van deze kinderen. Vervolgens zijn er verhalen geschreven die daarbij passen. Zo sluit het boek over de keuken vooral aan op begrippen over zintuigen, en gaat het verhaal over klussen in huis meer in op begrippen over doen en bewegen. “Door het boek door te nemen, in combinatie met ervaring en herhaling, bouwen kinderen langzaam een woordenschat op die nauw aansluit op hun eigen ervaring en omgeving, en kunnen ze er gaandeweg beter over communiceren.”

Ankergestuurd leren

Het interactieve element is volgens Van Balkom de sleutel om zowel ouders als kinderen meer bij het verhaal te trekken. “Dat noemen we ‘ankergestuurd leren, waarbij alles wordt gekoppeld aan gezamenlijk beleven. Tegen ouders zeggen we: ga nou niet alleen over pannenkoeken voorlezen, maar ga die eerst samen bakken, film dat, en kijk die video samen met je kind terug als je uit het prentenboek voorleest. Zo vereenvoudig je vanuit een gezamenlijk, ‘verankerde’ herinnering het verhaalbegrip. Dat werkt veel beter dan als je alleen vertelt.”

Bij het interactief, ondersteund voorlezen wordt bijvoorbeeld een handpop gebruikt waarmee je gebaren maakt, iets wat al veel kan helpen. “Een pop komt een stuk minder bedreigend over als die opeens dichtbij komt. Kinderen durven dan ook meer zichzelf te zijn, de vrees voor fouten verdwijnt. De handpop fungeert als een maatje, en zo overbrug je dus in feite de afstand tussen jou en je kind.”
Van Balkom geeft toe dat de theorie erachter wellicht wat ’zweverig’ overkomt, maar dat de resultaten uit de behandel- en onderwijspraktijk duidelijk zijn. “Je ziet dat de kinderen vervolgens via hun communicatiebord of spraakcomputer meer pictogrammen gebruiken en dus hun woordenschat al doende beter en sneller leren verbreden en verdiepen dan in situaties zonder handpop.”

Uitdrukbare pictogrammen

Kleine aanpassingen in het voorlezen kunnen al veel helpen. Achterin de Milo & Lana prentenboeken zitten zo’n vijftig uitdrukbare pictogrammen. “Bij het voorlezen van sommige begrippen kun je zo’n pictogram even laten zien, en eventueel aan het kind overhandigen. We hebben ook animaties gemaakt, en versies met gebaren en gebarentaal. Sommige handelingen kun je een stuk beter uitdrukken met bewegend beeld. Iemand zien lopen of iemand een spijker zien inslaan is een stuk duidelijker dan er alleen over vertellen.”

Neerwaartse spiraal voorkomen

Voorlezen lijkt een simpele activiteit, die desalniettemin een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van de ervarings- en belevingswereld van het kind. Bij kinderen met meervoudige beperkingen is het echter lang niet altijd zo simpel. De interactie tussen ouder en kind valt door de lastigere communicatie en mogelijke andere stoornissen vaak stil. Van Balkom: “Deze kinderen kunnen niet dezelfde betrokkenheid en feedback geven bij voorlezen als bij andere kinderen, en dat is al gauw frustrerend voor ouders en verzorgers, maar ook voor behandelaars en leerkrachten.” Ouders denken dat de kinderen er niets uit halen, de voldoening ontbreekt, en de wil om door te zetten daardoor ook. Dan ontstaat er een neerwaartse spiraal – en die wil Van Balkom voorkomen.

Lees verder op radboudrecharge.nl >

 

 

------
Abonneer u op onze gratis digitale nieuwsbrief en u ontvangt wekelijks een overzicht van relevante ontwikkelingen rond vroeghulp- en -signalering

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here