Spreidbroekje bij heupdysplasie veelal niet nodig

0
1169
JGZ-richtlijn Heupdysplasie

Baby’s met een heupdysplasie, een relatief veel voorkomende afwijking, krijgen als ze ongeveer drie maanden oud zijn een spreidbroekje. Dit stimuleert de juiste heupontwikkeling. In tachtig procent van de gevallen is deze behandeling niet nodig, zo blijkt uit promotieonderzoek van Virginie Pollet: ook zonder spreidbroekje ontwikkelt de heup zich goed.

Bij twee à drie op de duizend pasgeborenen komt heupdysplasie voor. Het komt vier keer vaker voor bij meisjes dan bij jongens. Een heupgewricht bestaat uit een heupkop en een heupkom. De kop draait in de kom als een kogel. Bij heupdysplasie is de heupkom niet diep genoeg en omsluit de heupkop onvoldoende. De kop kan daardoor gemakkelijk uit de kom glijden. Soms – bij minder dan 0,2 % van  de kinderen – kan de kop helemaal niet meer in de kom komen. In dat geval is er sprake van heupluxatie.

Oorzaken

Virginie legt uit dat er verschillende oorzaken voor heupdysplasie zijn. “Er is een verhoogde kans wanneer een ouder of een zus/broer de aandoening heeft. En het komt relatief vaak voor bij baby’s die in een stuitligging hebben gelegen. Ze hadden in de baarmoeder onvoldoende ruimte voor een goede heupontwikkeling. De afwijking kan ook ontstaan na de geboorte. Inbakeren kan hiervan een oorzaak zijn. Ook dan krijgen de heupen te weinig ruimte voor een goede ontwikkeling. Echter bij zestig procent is er geen bekende risicofactor aanwezig.”

Pavlik-bandage

Baby’s die vlak na de geboorte heupdysplasie hebben, worden op dat moment niet behandeld, omdat de heupen zich meestal binnen een paar weken alsnog goed ontwikkelen. Als er na drie maanden via een echo blijkt dat er nog steeds sprake is van heupdysplasie, volgt tot nu toe wel een behandeling. Zij krijgen een zogenaamd spreidbroekje aangemeten dat ervoor zorgt dat de beentjes in spreidstand blijven staan wat de heupen de ruimte geeft zich goed te ontwikkelen. Baby’s moeten dit spreidbroekje 23 uur per dag dragen, zes tot twaalf weken lang. Dit wordt de Pavlik-bandage genoemd.

“Hoewel deze Pavlik-bandage wordt aangelegd, was niet bekend of dit beter werkt dan niet-behandelen”, vertelt Virginie. “Omdat we steeds meer het idee kregen dat de heupen van deze kinderen – als er geen sprake is van een heupluxatie – ook zonder behandeling zich goed ontwikkelen, hebben we besloten dat te onderzoeken.”

Belastend

In haar onderzoek vergeleek Virginie zo’n  55 kinderen die de Pavlik-bandage kregen met 49 kinderen die dat niet kregen. “Bij tachtig procent van de niet-behandelde kinderen bleek de heupdysplasie net zo goed – en net zo snel – te herstellen als bij de wel-behandelde kinderen.”

Virginie pleit er dan ook voor om in eerste instantie af te zien van behandeling. “De Pavlik-bandage geeft ouders vaak veel stress, ze maken zich zorgen en het is een gedoe met aankleden. De baby’s zelf lijken er niet veel last van te hebben, maar dat weten we natuurlijk niet zeker. Bovendien is het nodig tijdens de behandeling om de twee weken te checken of het spreidbroekje nog goed past en wordt er regelmatig een echo gemaakt om de vooruitgang van de behandeling te beoordelen. Die ziekenhuisbezoeken zijn belastend voor de ouders en uiteraard duur.”

Controle-echo’s

Natuurlijk moeten de kinderen wel gevolgd worden, want behandelen blijkt dan bij tachtig procent niet nodig te zijn; bij twintig procent wel. “Voor die controle volstaat een echo eens in de zes weken tot de leeftijd van zes maanden. Als de heupen zich dan niet goed blijken te ontwikkelen, is behandeling alsnog nodig.”

De richtlijn in de werkgroep Kinderorthopedie in Nederland is inmiddels hierop aangepast, waardoor in eerste instantie niet-behandelen nu de standaard is in Nederlandse ziekenhuizen.

Vervolgonderzoek

De volgende stap in het onderzoek is om proberen te voorspellen bij wie behandeling wel nodig is. “Daar werken we nu aan. Aan de ene kant lijkt de oorzaak hier een rol te spelen. Als er sprake is van een genetische oorzaak, lijkt de heupdysplasie minder vaak vanzelf te herstellen. Ook hebben we naar de vorm van  de heup op  echografie gekeken. Het lijkt erop dat we hierin wat aanknopingspunten hebben gevonden die kunnen helpen bij de voorspelling. Maar hiervoor is nog verder onderzoek nodig.“

From Diagnosis to Outcome in Developmental Dysplasis of the Hip >>

Bron: umcutrecht.nl

 

 

------
Abonneer u op onze gratis digitale nieuwsbrief en u ontvangt wekelijks een overzicht van relevante ontwikkelingen rond vroeghulp- en -signalering

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here