Hechtingsstoornis bij licht verstandelijke beperking eerder herkennen

0
207

Tijdig herkennen van een hechtingsstoornis bij kinderen met een licht verstandelijke beperking is van groot belang. Om deze stoornissen vast te stellen bij kinderen in de leeftijd van 5-11 jaar is een nieuw protocol ontwikkeld. Het gaat om een groep kinderen bij wie tot nu toe maar moeilijk een diagnose gesteld kon worden aangezien er geen goed diagnostisch instrument was.

Kinderen met een hebben drie tot vier keer hoger risico op het ontwikkelen van psychologische, psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen als kinderen zonder deze beperking. Het diagnostisch instrument is ontwikkeld door psycholoog Hans Giltaij in het kader van zijn promotieonderzoek aan de Vrije Universiteit. Naast het diagnostische instrument levert Giltaij met zijn proefschrift een verheldering in de definiëring van het onderscheid tussen hechting gerelateerde stoornissen en stoornissen in het autismespectrum. Deze definiëring wordt gebruikt in de DSM5 classificatiecriteria.

Het onderzoek

Giltaij is coördinator GGZ bij Bartiméus en werkzaam bij de afdeling Psychotherapie, gespecialiseerd in onderzoek en de behandeling van cliënten met een meervoudige beperking. De afgelopen twaalf jaar heeft hij onderzoek gedaan bij kinderen met een lichte verstandelijke beperking in de leeftijd van 5-11 jaar. Deze kinderen waren vanwege psychische, psychiatrische of gedragsproblemen voor onderzoek verwezen naar een gespecialiseerd centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Deze groep kinderen heeft vaak te maken gehad met problematische situaties in de vroege jaren waardoor geen goede hechting heeft kunnen ontstaan.

Resultaten

Uit onderzoek van Hans Giltaij blijkt dat bij de onderzochte kinderen 18% een hechting gerelateerde stoornis (HGS) heeft. Een verstoorde gehechtheid kan ontstaan wanneer een kind in de eerste levensjaren geen stabiele hechtingsrelatie met een of meerdere voor het kind belangrijke volwassenen (ouders, voogd of begeleiders) kan opbouwen. We hebben als mens een aangeboren drijfveer om ons te hechten aan iemand, die ons zorg, steun en troost biedt. Als door omstandigheden een kind op vroege leeftijd in een instelling wordt geplaatst waar veel wisselende begeleiding is, of in een kindertehuis, of door ziekte veel tijd in ziekenhuizen doorbrengt, veelvuldig wisselt van pleeg- of crisisgezin of te maken heeft met ouders die minder beschikbaar zijn door bijvoorbeeld een drugsverslaving of eigen problematiek, dan loopt een kind het risico op een hechting gerelateerde stoornis.

Deze groep kinderen loopt tevens een groot risico op het ontwikkelen van andere gedrags- of psychiatrische problemen (comorbiditeit). Ook hebben deze kinderen een grotere ontwikkelingsachterstand dan de onderzochte kinderen zonder een hechting gerelateerde stoornis. Deze ontwikkelingsachterstand is niet te relateren aan de licht verstandelijke beperking, maar aan de hechting gerelateerde stoornis.

Verder levert het onderzoek een verheldering in de definiëring van het onderscheid tussen hechting gerelateerde stoornissen en autismespectrumstoornissen, zoals gebruikt in de DSM-5 classificatiecriteria.

Toepassing

De resultaten en conclusies uit dit onderzoek moeten leiden tot een verfijndere aanpak van de begeleiding van kinderen in instellingen en ook tot meer aandacht voor mensen met een hechting gerelateerde problematiek. Zo zou bijvoorbeeld bij de intake van nieuwe cliënten in instellingen standaard meer doorgevraagd moeten worden over de ontwikkelingsgeschiedenis in de eerste jaren van het kind/de cliënt. Naarmate dit later in het leven van de cliënt gebeurt, wordt het moeilijker om de juiste informatie te verkrijgen en daarmee moeilijker om aan gehechtheid gerelateerde stoornissen vast te stellen. Hoe eerder de diagnose kan worden gesteld, hoe beter de behandeling en begeleiding die kan worden geboden.

Cursus

Op basis van dit onderzoek is een cursus ontwikkeld voor de interviewmethode om verstoord hechtingsgedrag te diagnosticeren. Deze interviewmethode is onderdeel van het 3-fasenmodel om tot diagnose te komen.  De cursus is bedoeld voor psychologen, gedragsdeskundigen en psychiaters, die diagnostiek uitvoeren en is toepasbaar bij kinderen tot 12 jaar. In Nederland wordt de cursus gegeven door twee universitaire docenten van de VU Amsterdam en door Hans Giltaij zelf. De RINO Groep in Utrecht organiseert deze (postdoctorale) training. Het is de ambitie om het klinisch observatie-instrument uit het onderzoek ook als cursus binnen de RINO aan te gaan bieden.

Meer onderzoek is nog nodig om het nieuwe protocol en de instrumenten toepasbaar te maken voor oudere kinderen en volwassenen.

Bron: bartimeus.nl

------
Abonneer u op onze gratis digitale nieuwsbrief en u ontvangt wekelijks een overzicht van relevante ontwikkelingen rond vroeghulp- en -signalering

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here